De Nieuwe Toneelbibliotheek

Boekjeslijst
login | registreren?
toon laatste nieuws
Nieuws

Lancering ‘DeClaus Theatertekstkritiek’

Lancering ‘DeClaus Theatertekstkritiek’


Theaterkrant gaat kritieken van nieuwe toneel- en theaterteksten publiceren. Morgen staan de eerste stukken online, na lancering op de toneeltekstmiddag van het Nederlands Theater Festival.

Literaire reflectie op theaterteksten is zeldzaam in Vlaanderen en Nederland, terwijl jaarlijks bijna vijfhonderd nieuwe theaterteksten worden geschreven in professioneel verband.

Een diverse groep critici werkt nu aan besprekingen van een selectie theaterteksten, samengesteld door een redactie bestaande uit Simon van den Berg, Tom Helmer, Elke Huybrechts, Joris van der Meer, Ditte Pelgrom en Jasmijn van Wijnen.

In samenwerking met het Vlaamse theatertijdschrift Etcetera publiceren we vanaf 11 september ongeveer wekelijks een kritiek op Theaterkrant.nl. Stichting De Versterking en het Vlaams Fonds voor de Letteren steunen dit initiatief.

Bij wijze van lancering verschijnen morgen meteen alle besprekingen van de teksten die op het Nederlandse en Vlaamse Theaterfestival gespeeld worden. Zo bespreekt dramaturge Hannah Roelofs de tekst Daar gaan we weer – white male privilege, die Annelies Verbeke schreef voor acteergroep Wunderbaum en schrijft Erwin Jans over The Nation van Eric de Vroedt.

Door ook aandacht te hebben voor internationale theaterteksten, wil de redactie zowel de Nederlandstalige teksten in een grotere context plaatsen, als ook de aandacht voor het theater in andere (ook niet-Europese) landen vergroten. Een bespreking van *Harry Potter and the cursed Child* (Tony Award-winnaar 2018) komt binnenkort online.

Door Joke Beeckmans gepubliceerd 10 september 2018

https://www.theaterkrant.nl/nieuws/lancering-declaus-theatertekstkritiek/

Stijn Devillé maakt de staat op van de theatertekst op Vlaams Theaterfestival

De staat van de theatertekst: een lemniscaat van schrijven en spreken

Vr 07 Sep 2018

(c) Boumediene Belbachir

Stijn Devillé

1. VAN HOREN ZEGGEN

Ik heb mijn grootvader nooit gekend. Hij stierf tien jaar voor ik werd geboren, dus alles wat ik van hem weet, heb ik van horen zeggen. Mijn grootvader was naast kledingfabrikant, koster, organist, burgemeester, vader van 16 kinderen. Verzetsheld. Dichter, componist, koorleider. Beoefenaar van pendel en wichelroede, oprichter van talloze verenigingen. (In die tijd zaten er nog meer uren in een dag, ik heb het van horen zeggen). En ook was hij nog toneelregisseur (spelleider heette dat toen). En, jawel, toneelschrijver.

Vlak na de eerste wereldoorlog, zo rond december 1918, schreef hij een toneelstuk over de gevaren van het bolsjevisme. Omdat veel van zijn acteurs  niet konden lezen, moest hij de tekst avondenlang voorzeggen, tot de spelers hun dialogen uit het hoofd kenden. Zij hadden hun tekst dus letterlijk van horen zeggen. Ook het publiek uit Essenbeek was in grote mate analfabeet. Naar toneel kijken, was hun enige toegang tot iets als het geschreven woord. Dat is nog maar honderd jaar geleden.

Vandaag, bij mij in het gezelschap, Het nieuwstedelijk, neemt actrice Sara Vertongen nooit haar tekstbrochure mee naar huis. Ze heeft een erg goed auditief geheugen en kent als eerste haar tekst uit het hoofd, door het loutere spreken en luisteren bij de lezingen. Ook zij kent de tekst letterlijk van horen zeggen.

Het zegt iets over de toneelliteratuur. Na 2.500 jaar maakt ze nog steeds deel uit van een orale traditie, waar de literaire kwaliteit van de tekst gedragen wordt door het geheugenwerk en de vertelkracht van de speler. De toneeltekst ligt nog dicht bij de oorsprong van onze literatuur, letterlijk in levenden lijve verhalen vertellen, steeds opnieuw. De toneelliteratuur gaat nog dagelijks over de lippen, maakt nog steeds die overgang tussen orale traditie en schrift, schrijven en spreken, altijd weer, als een fascinerend soort van perpetuum mobile, een lemniscaat, de oneindige herhaling, repetitie, gevangen in het hier en nu.

2. AANWEZIG

Het theater wordt van oudsher de kunst van het hier & nu genoemd. En dan heeft men het vaak over de alertheid van de spelers, in het moment zijn. Of ook bedoelt men het efemere karakter van de voorstelling: als het doek valt, is het voorbij. Voor mij gaat het niet alleen over dat vluchtige karakter. Voor mij gaat het over het aanwezige.

In het theater kan je niet afwezig zijn. Afwezig zijn is een onmogelijkheid, in een fundamentele zin, die raakt aan de essentie van het theater. Als het publiek afwezig blijft, noemen we het geen voorstelling, maar een repetitie.

Het aanwezige. Wat ons aanbelangt, hier, nu, met z’n allen. Right here, right now. Uit het theater, en al zeker uit de toneeltekst spreekt een verlangen. It’s a play, stupid, een toneelspel. You have to play it. Het is een fysiek verlangen, naar een fysieke aanwezigheid. Het moet over de tong gaan. Over de lippen. Stem krijgen. En met die stem, een lichaam. Een adem. Le souffle. Niet voor niets werd de tekst vroeger ingefluisterd door een souffleur, een beademaar. Het gaat dus wezenlijk over het leven. Dat alles maakt voor mij van het toneelschrijven de mooiste vorm van schrijven die er bestaat. Omdat het gaat over fysiek samenzijn en over wat we dan samen kunnen delen. Samenleven, à bout de souffle.

Theater als plek van dialoog, als plek waar we samenleven, waar ideeën worden uitgewisseld, en dus als plek van democratie. Waar we stem geven aan de stemlozen, zoals Peter Sellars zei. Dat is voor mij ook de reden waarom het toneel over vandaag moet gaan, over hier en nu. Wat ons nu aanbelangt. Wat ons nu bezighoudt. Wat ons de adem afsnijdt.

3. STATUUT

Shakespeare is dead, get over it. Het is de geniale, en ietwat uitdagende titel van een toneelstuk van Paul Pourveur. Een mooi antwoord op de vraag, of dat wel nog moet vandaag: toneelstukken schrijven.

Ik kwam als jonge toneelschrijver eens terecht in een bittere discussie met een operarecensent, die stelde dat het maar eens moest gedaan zijn met die wannabe’s die toneelstukken bij mekaar penden, terwijl het beste al geschreven was. Shakespeare en Molière waren er al. Wat daar nog aan toe te voegen!

Stel je voor dat je zo’n opmerking zou maken tegenover een romanschrijver: weer een boek? Ik heb al een boek!

In oude tijden stond de toneelschrijver nochtans op het hoogste literaire schavot. We horen het ontzag voor de toneelschrijver in versteende uitdrukkingen: als we het Engels een parmantige omschrijving willen geven, dan spreken we over de Taal van Shakespeare. La langue de Molière voor het Frans. Dze tsaal vfan Vfondel! Voor het Nederlands. Omdat toneelschrijvers de taal mààkten. Hun werk verspreidde zich niet in boekvorm, neen, de toneelspelers waren hun dragers. Literatuur, dat had je van horen zeggen.

Toen een paar honderd jaar later de stoommachine de drukpersen liet rollen, nam de scholingsgraad toe en begonnen mensen de feuilletons van Dickens in de krant te lezen. Toen was het gedaan met het hoge aanzien voor de toneelschrijver. De romancier won het pleit. Shakespeare is dead.

In Frankrijk is dat statuut misschien nog het langst overeind gebleven: je ziet er soms nog toeschouwers in de zaal met het tekstboek op schoot, meelezend. Soms zelfs om te zien of wel elke zin uit de klassieker correct wordt gearticuleerd. Het geeft de statuur van de toneeltekst aan. Ook filosofen als Sartre en Camus, maar zelfs vandaag Eric-Emmanuel Schmidt zagen de toneeltekst als hun genre, als hun vorm. Als een medium dat hen dwong helder te formuleren, hen dwong hun theoretische gedachten menselijk en tastbaar te maken. En dat hen in staat stelde in dialoog te gaan met de aanwezigen.

4. MINDERWAARDIG

Verba volant, scripta manent. De geschreven tekst is wat overblijft, als een soort residu, bijna een dood lichaam. Het moet beademd worden. Geïnspireerd. De tekst is dood, leve de tekst! Wie een tekst leest moet dus over de verbeelding beschikken om er een voorstel in te zien. Een kans. Op een nieuw gesprek, een nieuwe voorstelling, een nieuwe enscenering, een nieuw leven.

Ik vrees dat de literatuurkritiek vandaag het gesproken woord als een manco beschouwt en de toneeltekst net daarom minderwaardig acht: omdat de tekst schijnbaar efemeer is, omdat de formuleringen helder moeten zijn, je hebt als publiek nu eenmaal maar één enkele luisterkans, omdat de tekst oraal wordt overgeleverd en omdat we spreken van een toneelstuk. Het is maar een stuk. Het is nooit volledig. Veel blijft ongeschreven en dus onuitgesproken in een toneelstuk.

Daarom bestaat er dus geen literaire toneelkritiek. Daarom bestaan er haast geen uitgeverijen die toneelteksten uitgeven. Daarom worden literaire prijzen voor drama afgeschaft. Daarom besteedden Vlaanderen noch Nederland aandacht aan toneelteksten toen ze gastland waren op de Frankfurter Buchmesse. Daarom gaat een tekst van Flanders Literature rond hedendaagse toneelschrijfkunst éérst over romanschrijvers en pas daarna over toneelschrijvers. Daarom bestaan er, vrees ik, ook haast geen romanschrijvers die fatsoenlijk toneel kunnen schrijven. Tom Lanoye kan het, Jeroen Olyslaegers kan het. En daar houdt het zowat op. Claus kon het natuurlijk. Maar Mulisch kon het niet. Toneelschrijven is een vak. Omdat er nu eenmaal een heel groot verschil is tussen een tekst die alleen maar gelezen hoeft te worden, en een tekst die gesproken en gehoord moet worden. Belichaamd. Geleefd. Gezwegen ook.

5. SCHRIJVER-MAKERS

Ik heb, denk ik, het meest over toneelschrijven geleerd door met acteurs te werken. Een romanschrijver krijgt van de uitgeverij een redacteur toegewezen. Eéntje. Een toneelschrijver krijgt evenveel redacteurs als hij personages heeft. Waarom zeg ik dit zo? Waarom kan het niet zo? Een acteur die eerst weken aan het blokken moet en vervolgens maandenlang, avond na avond, zijn personage moet verdedigen op het toneel voor honderden toeschouwers, die wil dat zijn tekst juist zit. Dat hij erop kan vertrouwen. Dat hij alvast dààrmee niet door de mand valt. Het maakt je scherp als schrijver.

De meeste theaterhuizen die in Vlaanderen nieuw theaterwerk spelen, zijn overigens huizen en gezelschappen die zijn opgericht of worden geleid door de theaterauteurs zelf. Het zijn er meer dan je denkt.

Dat heeft een aantal consequenties. Het maakt dat geen van deze schrijvers ooit voltijds schrijver kan zijn. Omdat hij ook artistiek leider, regisseur, speler, producent, boekhouder, enzovoort moet zijn. Het maakt dat deze schrijvers alleen zullen schrijven voor het aantal acteurs dat ze kunnen betalen. Het maakt dat ze schrijven voor de kleine zaal. Het maakt dat de focus van de schriftuur ligt bij die éne opvoering, door die ene acteur en niet bij de heropvoerbaarheid door andere gezelschappen, laat staan in andere landen en talen. Het maakt ook dat deze schrijvers niet of nauwelijks worden gevraagd door andere gezelschappen. (Het maakt ook dat sommige theatermakers zich zomaar toneelschrijver wanen.)

Toneelschrijvers in Vlaanderen zijn dus ook bijna altijd theatermakers. Net als de grootste toneelschrijvers uit de geschiedenis. Shakespeare. En Molière. En Tsjechov. En Brecht. En Müller. En Claus. Ze kennen niet alleen de taal. Ze kennen ook het podium.

Wat ik er zo heerlijk aan vind, is dat het het beste van twee werelden combineert: je kan je een tijd opsluiten in je schrijfkamer, om je helemaal aan je research en je schrijfwerk te wijden. Ik hou van die solitaire bezigheid. Maar misschien nog meer hou ik van het moment, een paar maand later, waarop ik het geschrevene met zekere schroom kan delen met mijn spelers. Wetend dat zij er hun talent nog aan zullen toevoegen. Wat een heerlijk gevoel.

Ik stel het nu iets romantischer voor dan het is. Het is tenslotte feest vandaag. Maar ook al moet je als toneelschrijver je werk soms bitter verdedigen tegen het spelersgeweld: je tekst wordt er altijd beter door.

Dat veel nieuwe dramaturgie in Vlaanderen zo ontstaat, is een grote rijkdom. Het geeft de teksten diepte, nuance, kleur, karakter. Maar je moet dus wel in de mogelijkheid zijn om als auteur je eigen gezelschap op poten te zetten.

Van 1858 tot 2009 werd in Vlaanderen de driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneelletterkunde uitgereikt, later Vlaamse Cultuurprijs voor Toneelletterkunde. Het prijzengeld, dat bij de laatste uitreiking 12.500 euro bedroeg, bleek nodig om het tekort op de Vlaamse begroting goed te maken en werd wegbezuinigd, de volle 4.166 euro per jaar. Met de prijs ging een traditie van 150 jaar op de schop.

De laatste laureaat was de onvolprezen Peter De Graef. Bij de uitreiking vroeg presentatrice Chantal Pattyn: Peter De Graef, monologen schrijven, da’s toch echt iets voor jou. Waarop Peter: Nee, helemaal niet. Ik schrijf monologen omdat ik geen geld heb om acteurs te engageren. Dus speel ik maar alleen.

Voor wie moet een toneelauteur schrijven, als er geen ensembles meer bestaan?

 

(c) Katrijn Van Giel

 

6. REPERTOIRE-OPBOUW

Het brengt me bij een andere karakteristiek van de Vlaamse toneelschrijverij. Er worden in Vlaanderen geen toneelteksten meer opgevoerd van onafhankelijke toneelschrijvers. Ik bedoel daarmee toneelschrijvers die niet hun eigen opdrachtgever zijn, niet hun eigen regisseur en producent. Ik denk dat er nog pakweg vier of vijf zijn, Frank Adam, Bruno Mistiaen, Paul Pourveur, Filip Vanluchene. Maar de laatste tien jaar zijn hun stukken niet of nauwelijks gespeeld.

De beide grote stadstheaters in Antwerpen en Gent namen de afgelopen tijd afscheid van de toneelschrijvers die ze in vaste dienst hadden: Abke Haring, Bart Meuleman, Peter Verhelst, Bernard Dewulf.

Niet alleen worden er weinig opdrachten gegeven, ook bestaat er geen repertoire-opbouw. Welke zijn de Vlaamse stukken van de afgelopen tien jaar die we meenemen naar de toekomst? Geen blijkbaar. De toneeltekst als wegwerpartikel.

Een tweede, laat staan derde leven voor een tekst is quasi onbestaande. Tien à vijftien jaar geleden experimenteerden gezelschappen als Zuidpool en de Queeste of een maker als Mesut Arslan nog wel eens met een nieuwe enscenering van een oudere tekst van Arne Sierens, Filip Vanluchene of Eric Devolder, maar zelfs toen was het een grote uitzondering. In het beste geval doen schrijvers het zelf, zoals Adriaan Van Aken, Arne Sierens en ikzelf. Bij Het nieuwstedelijk beschouwen we onze eigen teksten als repertoire, en houden we producties daarom ook jaren op het programma. Als we het niet zelf doen, doet niemand het. En, o ja, af en toe worden je teksten nog gespeeld in drama-opleidingen en in het amateurcircuit. En dat is, echt waar, altijd heel leuk.

De enige manier waarop je toneeltekst vandaag van de vergetelheid wordt gered, is een publicatie bij denieuwetoneelbibliotheek.nl. Het initiatief van Ditte Pelgrom is niet minder dan levensreddend voor de toneelschrijfkunst in Vlaanderen. Ditte verdient daarvoor niet alleen een standbeeld, maar vooral een loon en een werkingsbudget. Ik wil de beide Letterenfondsen en de Taalunie hier oproepen om eindelijk werk te maken van een structurele ondersteuning van De Nieuwe Toneelbibliotheek. Al past het niet in jullie reglementen, verzin er wat op. Pas de reglementen dan aan. In minder dan tien jaar hebben Ditte en haar collega’s een kleine 500 titels uitgegeven en via de website een veelvoud aan teksten ontsloten. Meer dan een uitgeverij is het een archief, een bibliotheek, een wunderkammer. Kijk wat een weelde.

Het debat over de afwezigheid van klassiek repertoire op de Vlaamse podia ligt al een tijdje achter ons, maar ook hedendaagse buitenlandse stukken worden nog nauwelijks geïntroduceerd in Vlaanderen. Het Raamtheater maakte er in de jaren ’90 zijn handelsmerk van om new dramatic writing uit het Angelsaksisch taalgebied naar Vlaanderen te halen; bij de Queeste zocht Christophe Aussems naar nieuwe Europese stemmen uit Duitsland, het UK, Scandinavië, de Balkan, Italië. Maar Raamtheater en de Queeste bestaan niet meer, en met hen is ook de focus op de Europese toneelschrijfkunst verloren gegaan. Iemand hier al van Florian Zeller gehoord, het Franse wonderkind? Of Maria Milisavljevic, die hoge ogen gooit in Duitsland, of Alex Lorette uit Brussel? Of Thomas Depryck uit Luik? Nathan Vecht uit Nederland? Alexander Manuiloff, Natalya Voroshbit? We opereren in Vlaanderen vanuit een soort isolement.

7. STAAT OPMAKEN

Okee. Staat opmaken. Wat is er? Wat is er niet?

Er is geen tweede leven

Er zijn geen ensembles

Er zijn geen onafhankelijke toneelschrijvers

Er zijn geen schrijfopdrachten

Er is geen plaats in de grote zaal
Er is geen repertoireopbouw
Er is geen zichtbaarheid
Er is geen literaire toneelkritiek
Er is geen netwerk

Er is geen denieuwetoneelbibliotheek.BE

Er is geen schrijversfestival

Er is geen Schrijverspodium
Er is geen Hotel Dramatik
Er is geen talentontwikkelingsplatform zoals de Tekstsmederij in Nederland
Er is geen opleiding

Er zijn alleen toneelschrijvers/theatermakers

Er is kwaliteit

Er is weelde

Er is isolement

Er is Schrijversgevang
Er is Bebuquin

Er zijn veel monologen

Er is veel kleine bezetting

Er zijn werkbeurzen
Er is wél een opleiding

Is er diversiteit?
Is er beleid?

Is er een buitenland?

8. OPLEIDING

Een opleiding voor toneelschrijven zoals de master writing for performance aan de HKU in Utrecht bestaat niet in Vlaanderen. Aan verschillende dramaopleidingen bestaat er wel een keuzevak podiumschrijven, en aan het RITCS is er een volledige afdeling ‘schrijven’, maar toneelauteurs heeft die nog niet afgeleverd. De klemtoon ligt er in eerste instantie op scenario voor film en tv en in tweede instantie op proza.

Ik ben er nog niet uit of ik dat gebrek aan een echte toneelschrijfopleiding zo dramatisch vind. Om een heel prozaïsche reden (no pun intended). Stel je voor dat we een opleiding zouden hebben: wat zijn dan de beroepskansen voor die nieuwe, jonge, frisse gediplomeerde toneelschrijvers? Er is geen gezelschap in Vlaanderen dat hun stukken zal willen spelen. Of wel?

Voor theatermakers is een manama toneelschrijven misschien wel heel vruchtbaar. En wie weet is zelfs het denkbaar dat een opleiding het landschap zou dwingen om de vers afgestudeerde toneelschrijvers op te nemen, al is het maar mondjesmaat. Louter door hun aanwezigheid?

9. BUITENLAND

Vlaamse teksten in het buitenland. Moeilijke kwestie. Van slechts een paar auteurs wordt het werk ook vertaald en in andere landen gespeeld. Ik heb het dan over nieuwe ensceneringen door buitenlandse theaters. Dat is erg beperkt, zelfs voor namen als Tom Lanoye. Een auteur met een wereldhit, zoals Lot Vekemans met Gif, hebben we in Vlaanderen vooralsnog niet.

Wat voor buitenlandse theaters zo aantrekkelijk was aan de Vlaamse Golf, was nu net het gebrek aan een teksttraditie. Wij slepen geen Shakespeare, Racine of Goethe mee. Wij zijn vrij. Het Franse publiek likkebaardt al twintig jaar van hoe Stan en Marius met hùn klassiekers omgaan. Het Vlaamse theater wordt in het buitenland dus allesbehalve geassocieerd met nieuwe, hedendaagse dramaturgie en de Vlaamse vaandeldragers in het buitenland helpen niet mee om dat beeld te doorprikken. Van Hove, Perceval, Cassiers zijn er niet mee bezig, Rau maakt de geschreven tekst bijna verdacht.

10. BELEID

In 2005 werd binnen het Vlaams Fonds der Letteren een aparte adviescommissie voor theater opgericht en van toen af zie je ook pas dat er toneelauteurs worden ondersteund. Dat is een belangrijk kantelmoment. Zulke beleidskeuzes brengen écht verandering teweeg. Ikzelf heb er veel aan te danken.

Sindsdien zijn er bij het VFL in totaal 54 auteurs specifiek voor hun toneelwerk betoelaagd, onder wie 14 vrouwen. De groep toneelauteurs die consequent aan een oeuvre werken, is klein: 19 namen duiken minstens drie keer op. Onder hen slechts 2 vrouwen: Hanneke Paauwe en Abke Haring. Met deze twee vrouwelijke Nederbelgen is meteen ook alles gezegd qua diversiteit. Ze zijn niet-man en ze zijn niet-Belg. Diverser wordt het niet. Dat kan toch niet alleen aan de inzendingen liggen?

Er is ook nog nooit één stimuleringsbeurs van het Fonds gegaan naar een beginnend toneelauteur, man of vrouw, wit of zwart, terwijl die voor de andere disciplines jaarlijks worden uitgereikt. Dat is vreemd, als het theaterlandschap roept om nieuwe, diverse stemmen.

 

(c) Katrijn Van Giel

 

11. DIVERSITEIT

Mestizo Arts, KVS, Moussem doen pogingen om nieuwe stemmen te introduceren. Rachida Lamrabet en Fikry El Azzouzi begonnen zo naast hun proza ook voor toneel te schrijven. Maar na Sadettin Kirmiziyüz in 2013 is George Tobal vandaag nog maar de tweede genomineerde voor de Toneelschrijfprijs met een andere achtergrond. En als hij wint zodadelijk, zal hij de eerste prijsdrager zijn. O nee, niet waar, Ramsey Nasr won in 2000. Hèhè. 3 nominaties op 30 jaar Toneelschrijfprijs, en één winnaar. Dat geeft die beste George statistisch gezien zodadelijk een schamele 3,3% kans op winst.

Op Theater aan Zee waren de winnaars van de Jong Toneelschrijfprijs de afgelopen twee jaar Latijns-Amerikaanse auteurs, die in het Engels schrijven: Lester Arias vorig jaar en Luanda Casella dit jaar. Veelbelovend is dat ze beide theatermaker zijn en het gesproken woord dus niet als een manco zien, maar als een kracht. Hun verbeelding rijkt bovendien veel verder dan het thematiseren van hun eigen diversiteit. Ze zijn wie ze zijn, zonder meer. Dat lijkt me het begin van een noodzakelijke kentering. Nu nog in het Nederlands.

Niet alleen is er nood aan diversere stemmen bij de auteurs, maar ook bij de personages. Eerder deze week spraken Aminata Demba en Aïcha Cissé hun verlangen uit om hun huidskleur niet meer te hoeven thematiseren. Ze eisten het recht op om eender welke rol te spelen. Groot gelijk hebben ze. In het Angelsaksische taalgebied noemen ze dat colourblind casting. Je kleur heeft geen belang voor de rol die je speelt. Antigone, Desdemona, Jeanne d’Arc. Dat vraagt misschien wat verbeelding voor wie in oude denkbeelden vastzit, maar wat een verrijking.

Mijn dochter wou voor haar 16de verjaardag naar Londen, een bezoek aan de West End incluis. Zo belandde ik twee weken terug in – godbetert – Les Mis. De rol van Cosette werd in het eerste bedrijf door een klein, blank en blond meisje gespeeld. In het tweede bedrijf, tien jaar later, werd Cosette vertolkt door een sterke zwarte actrice. Dat nam je zomaar aan als toeschouwer. Niemand die er een punt van maakte. Ik maakte van het tripje naar Londen ook gebruik om één en ander op te snorren over New dramatic writing in het UK en werd getroffen door de Equal Opportunities Policy die theaters klein en groot er hanteren. Redelijk indrukwekkend. Sla hun websites er maar op na.

Ik begeef me op glad ijs. Ik blijf zelf natuurlijk een hoogopgeleide, middenklasse, witte man van immer vooruitstrevende leeftijd. Mag ik schrijven voor andere kleuren? Zonder dat dat wordt beschouwd als appropriatie?

De Ontario Arts Council in Canada heeft Indigenous Arts Protocols afgesloten met de native-american gemeenschappen. Die protocols hoor je als auteur te volgen wanneer je oorspronkelijke bewoners of hun cultuur in je toneelstuk wil laten figureren. Dit om context te bieden en respect te vragen en om appropriatie en misrepresentatie tegen te gaan. Al riskeren ze misschien een nieuw soort censuur uit te lokken, de Indigenous Arts Protocols lijken me waardevolle instrumenten die de dialoog kunnen bevorderen. Omdat theater net dat moet zijn. Gesprek. Dialoog. Hier en nu. Wij samen.

12. HETEROTOPIE

Het leven. De mens en de wereld. Michel Foucault omschreef ergens in de jaren ’60 het theater als een heterotopie, letterlijk een andere plaats. Een plek waar het private aan het publieke raakt, het persoonlijke aan het politieke. Het doet me denken aan één van de mooiste dingen die ooit over het theater zijn geschreven: “Het theater ligt in de stad, de stad ligt in de wereld en de wanden zijn van huid”. Marianne Van Kerkhoven. Door het theater in de stad en de wereld te plaatsen, maakt Marianne het theater politiek; door de wereld te benoemen als iets doorlaatbaars en kwetsbaars, met wanden van huid, maakt ze de wereld menselijk. Het-gaat-hier-over-ons. Hier en nu. Als we hier toch twee uur in afzondering samen gaan doorbrengen, aanwezig zijn, laat ons dan nadenken over een thema, een gegeven, een probleem dat ons allen samen aanbelangt vandaag.

Ik wens ons dus toneelstukken toe
die over vandaag gaan

die tegelijk politiek en persoonlijk durven zijn

ik wens ons een vruchtbaar landschap
om die toneelstukken in te spelen

Ik wens ons

teksten voor meerdere stemmen

voor meer personages

van allerlei kleuren en allerlei kunne

ik wens ons

ensembles om die dan te spelen

en ook wens ik die teksten nog

meerdere levens

ik wens ons

ik wens ons

ik wens ons steun en promotie

en kans om te groeien

ik wens ons veel talen

ik wens ons veel landen

en ook wel veel geld

en misschien ook wel bier

en prachtige reizen

ik wens ons

ontmoeting en

instroom en uitstroom

import en export

trafiek

dynamiek

ik wens ons perfectie
ik wens ons gebreken

ik wens ons kritiek

ik wens ons dit alles

een prachtlemniscaat van schrijven en spreken

ik wens ons

ik wens ons

ik wens ons met klem

ik wens ons

een leven

een lichaam

een stem

Dankuwel

 

Stijn Devillé
Antwerpen, 7 september 2018

 

https://www.theaterfestival.be/de-staat-van-de-theatertekst-een-lemniscaat-van-schrijven-en-spreken/

Eric de Vroedt wint de Toneelschrijfprijs 2018 voor de tekst van zijn theatermarathon The Nation.

Eric de Vroedt wint de Toneelschrijfprijs 2018 voor de tekst van zijn theatermarathon The Nation. Dat werd vanmiddag bekend gemaakt tijdens de uitreiking op het Vlaams Theaterfestival in Antwerpen. De prijs is goed voor € 10.000. De tekst werd ook geselecteerd voor een Duitse vertaling.

‘De manier waarop Eric de Vroedt in The Nation maatschappelijke breuklijnen, politiek discours, flitsende nieuwsberichten, religieuze dogma’s en persoonlijke angsten als grondstof voor een vijf uur durend stuk gebruikt, is indrukwekkend’, schrijft de jury. ‘Alles waar je in de pers over leest, zit in deze caleidoscopische tekst verwerkt: radicaliserende jongeren, achterstandswijken, populisme, afbrokkelende traditionele partijen, ‘eigen volk eerst’, ‘meer of minder (kut)Marokkanen’, gated communities, de roep om meer blauw op straat, extreem marktdenken, doorgedreven mediatisering.’

Eric de Vroedt schrijft vaker zelf de teksten voor zijn regies. Hij brak door met zijn project ‘mightysociety’ en is sinds 2016 artistiek leider van Het Nationale Theater in Den Haag, waar hij onder andere RACE en The Nation op de planken zette. Verder regisseerde hij bij Schauspielhaus Bochum, Toneelgroep Oostpool en Toneelgroep Amsterdam.

De Nederlands-Vlaamse jury van de Toneelschrijfprijs bestond dit jaar uit Nico Boon, Judith de Rijke, Rob Vriens en jurysecretaris Steven Peters. De andere genomineerde teksten waren Woestijnjasmijntjes van George Elias Tobal en ForsterHuberHeyne van Willem de Wolf & Rebekka de Wit.

Dit jaar las voor het eerst een extern jurylid mee, in het kader van een promotieprogramma voor Vlaamse en Nederlandse theaterteksten in het Duitse taalgebied. Een van de stukken krijgt financiering voor een Duitse vertaling, die volgend jaar te lezen zal zijn op het Dramatikerinnenfestival in Graz, Oostenrijk. Curator en dramaturge Katja Herlemann selecteerde daarvoor ook The Nation.

FosterHuberHeyne, The Nation en Woestijnjasmijntjes genomineerd voor Toneelschrijfprijs 2018

George Elias Tobal, Eric de Vroedt en Willem de Wolf & Rebekka De Wit zijn dit jaar genomineerd voor de Toneelschrijfprijs. Die onderscheiding bekroont de beste Nederlandstalige theatertekst van het afgelopen seizoen en wordt dit jaar al voor de 31ste keer uitgereikt. De jury koos de drie genomineerde teksten uit 69 inzendingen.

De Nederlands-Vlaamse jury van de Toneelschrijfprijs 2018 bestaat uit Rob Vriens, Judith de Rijke en Nico Boon, onder leiding van jurysecretaris Steven Peters. Na uitgebreid overleg selecteerden zij

FosterHuberHeyne van Willem de Wolf & Rebekka de Wit,
The Nation van Eric de Vroedt en
Woestijnjasmijntjes van George Elias Tobal

als genomineerde teksten voor de Toneelschrijfprijs 2018.

De Toneelschrijfprijs – ter waarde van 10.000 euro – bekroont een Nederlandstalige toneeltekst die het afgelopen theaterseizoen voor het eerst gespeeld werd en wil bijdragen aan een levendige Nederlandstalige toneelschrijfkunst. Vanaf 2018 heet de onderscheiding niet langer de Taalunie Toneelschrijfprijs maar kortweg Toneelschrijfprijs en valt de organisatie in handen van de Taalunie , het Vlaams Fonds voor de Letteren , het Fonds Podiumkunsten en het Nederlands Letterenfonds . De prijs wordt mede mogelijk gemaakt dankzij de financiële steun van Sabam for Culture en het Lira Fonds.

De Toneelschrijfprijs wordt dit jaar uitgereikt op het Theaterfestival in deSingel (Antwerpen-Berchem) op vrijdag 7 september van 14.00 tot 17.00 uur. De uitreiking kadert in een inhoudelijk programma rond hedendaagse theatertekst, gemodereerd door radiomaakster Katharina Smets. In samenwerking met De Tekstsmederij spreekt Stijn Devillé de Staat van de Theatertekst uit. Nadien sluiten Nathan Vecht en Lot Vekemans aan voor een inspirerend gesprek. De genomineerde teksten worden voorgesteld, waarna de laureaat bekendgemaakt wordt. Na afloop is er een receptie voorzien.

Dit jaar leest bovendien voor het eerst een extern jurylid mee. In het kader van een promotieprogramma voor Vlaamse en Nederlandse theaterteksten in het Duitse taalgebied - een initiatief van Dutch Performing Arts , Kunstenpunt en Flanders Literature - selecteert Katja Herlemann een van de genomineerde teksten om vertaald te worden in het Duits. Welke tekst dat zal zijn, wordt eveneens bekendgemaakt op 7 september.

Uitgelicht

Vijfde boekje van Gesprekken met Makers is er!

inkijken bestellen

In drie gesprekken spreekt theatermaker Jetse Batelaan met Hester van Hasselt over gêne,taal die struikelt, compromis en onverzettelijkheid. Over het opheffen van hiërarchie, over dat theater saai is, over virtuoze spelers die nooit genoemd worden in een recensie, over zalen vol kinderen die plotseling deel uitmaken van wat er op het toneel gebeurt. Over paniek en vertrouwen.

Eerdere uitgaves in deze reeks
#224 Het is/It is – Marijn de Langen
#270 Sanne van Rijn – Irma Driessen
#280 Lotte van den Berg – Anoek Nuyens
#405 Marien Jongewaard – Marijn van der Jagt, Czeslaw de Wijs

Gesprekken met Makers wil een bijdrage leveren aan het geheugen van het theater in Nederland. Daarbij wordt de praktijk, het denken en de kennis van podiumkunstenaars zelf centraal gesteld. Gesprekken met Makers wil de makers gelegenheid bieden om zich in hun eigen taal, en vanuit hun eigen ervaring en interesse uit te spreken. Gesprekken met Makers is een duurzame samenwerking tussen DAS Research, het lectoraat van de Academie voor Theater en Dans en De Nieuwe Toneelbibliotheek.

De Nieuwe Toneelbibliotheek biedt op haar website de vijf boekjes van Gesprekken met Makers samen aan voor slechts 45 euro -

Twee keer King Lear (boekje #449 en 461)

inkijken bestellen

Publiceerden we ooit twee boekjes van Shakespeare's De Storm [#191 van De Toneelmakerij en 202 van Frank Albers] en van Othello [#124 Dood Paard, 278 Jibbe Willems]. Is de derde bewerking van Romeo en Julia in de maak [#267 Lucas de Waard, 339 Erik Bindervoet, 453 Hulst & Tarenskeen]. Binnenkort verschijnen dan ook twee boekjes van King Lear: een bewerking die Simon De Vos maakte voor het Zuidelijk Toneel en HETPALEIS en een vertaling van Jibbe Willems voor Toneelgroep Maastricht. Gelukkig raakt het einde nooit in zicht!

Marcel Otten vertaalt teksten Heiner Müller opnieuw:

inkijken bestellen

nawoord van de vertaler:

Heiner Müller (1929-1996) is een auteur die voor een ander theater schreef. Deze bundel bewijst dat wederom, de literaire grenzen worden overhoop gehaald; bij vele teksten weet je niet of de tekst als toneelstuk bedoeld is, als prozatekst of als poëzie. Zelfs zijn interviews stichten verwarring. Sinds Heiner in 1977 De Hamletmachine schreef, dat bij vele theatermakers als een bom insloeg, werd naar elke nieuwe Müller-tekst reikhalzend uitgekeken en telkens liet hij iedereen in verwarring achter. Heiner zette in zijn eentje het Europese theaterlandschap op zijn kop, elke enscenering van zijn stukken was een unieke ervaring. Zijn stukken werden door theatermakers gefileerd, tussen andere teksten geplaatst of voorzien van eigen commentaar, als twee-, drie- of zelfs vierluik gepresenteerd, voorzien van gigantische decors, droogjes voorgelezen op een leeg toneel of op een puffende rijnaak getoeterd. Er kwam een panter aan te pas, een vliegende pianovleugel, veel naakt, vuur, vuurwerk, smeltende ijsblokken, een gigantische meteoriet die dreigend in de kap hing, de sirtaki werd gedanst en ooit heb ik het hele toneel als een wipwap op en neer zien bewegen. En na afloop werd er hartstochtelijk geapplaudiseerd, gescholden en gefloten, verbijsterd gemompeld, alleen maar gezwegen en de verzamelde recensenten keken bedremmeld naar hun notitieboekjes.
Deze bundel zal onderdeel zijn van een vierluik.
In dit deel, Eenzame teksten die op geschiedenis wachten, heb ik materiaal opgenomen dat de grote verscheidenheid van zijn werk illustreert. Ik ben daarbij intuïtief te werk gegaan, het zijn teksten die mij persoonlijk aanspreken; ruim twintig jaar na het overlijden van Heiner hebben zijn teksten nog steeds een hallucinerende uitwerking op mij. Een aantal teksten zijn nog niet eerder in vertaling verschenen en de teksten die ik reeds had vertaald, zijn rigoreus herzien. De tweede bundel, Shakespeare Factory, zal teksten bevatten met Müllers Shakespearebewerkingen, onder andere De Hamletmachine en Anatomie Titus Fall of Rome Een Shakespearecommentaar, en in de derde bundel komen Müllers bewerkingen van klassiek Grieks materiaal zoals Verkommerde oever Medeamateriaal Landschap met Argonauten en Philoktetes aan bod. In het laatste deel, dat waarschijnlijk als titel Ik ben een neger zal hebben, zal ik een compilatie maken van een aantal essays, gedeeltes uit interviews en citaten uit Müllers autobiografie.
De verzamelde bundels zijn een hommage aan een groot schrijver, een dierbare vriend en mijn theatervader.


Marcel Otten
Mountcharles, Ierland

Info